|
De kast komt van het ouderlijk huis mee, er staat nog een bed in Rotterdam, twee stoelen vinden we aan de straat, huisgenoot-1 heeft een Wii, huisgenoot-2 heeft nog wat borden, kopjes en bestek. En zo wordt de huisraad van ’t nieuwe huis in de loop van de week steeds completer. Boodschappen halen & koken, hoort er vanaf nu ook bij. “Best leuk eigenlijk, boodschappen doen!” vindt de niet-studerende huisgenoot, die daarom elke doordeweekse dag naar de supermarkt mag. “Hopen dat-ie dat over ’n maand nog steeds roept!” zeggen wij, de twee wél studerende studenten achteraf tegen elkaar.
Op school wordt ook wat afgeouwehoerd. In een 33 koppen tellende
klas is niet elke docent daar even blij mee.. Gesprekken gaan dan deels
over ‘het weekend’, maar natuurlijk ook over het varen en de
matrozenstages. Veelgehoorde discussies zijn bijvoorbeeld: ‘Pff, hadden
jullie máár 1700 PK Caterpillar in dat 110-meterschip?!’. ‘Ja! Maar wij
hébben tenminste Caterpillar!’. Dat 360 PK Doosan al hartstikke veel
is voor een spits, houd ik op dat soort momenten meestal even stil. De
matrozenstages zijn overigens vooral op grote schepen gevaren. Van de
22 (geïnterviewde) geslaagde matrozen hebben tien klasgenoten op een
groot drogeladingschip (vanaf 100 meter) gevaren, vijf zijn op een –
eveneens – grote tanker gestapt, drie op een ‘middenklasse-schip’
tussen de 70 en 86 meter, twee op een beun(zand-)schip, één op een
kempenaar, één op een sleepboot, en.. één op een spits.
Het vaargebied was over het algemeen ook groot. Stagairs op
drogelandingsschepen gingen eigenlijk overal waar mogelijk:
binnenlands, Rijn & zijrivieren, Duitse kanalen, Donau,.. De
tankers voeren vrijwel allemaal in het ARA
(Amsterdam-Rotterdam-Antwerpen)-gebied. De beunschepen bleven
binnenlands, de kempenaar voer op de Kempische kanalen, de sleepboot
baggerde in België, en de spits ging, zoals in de weblogs t/m juni 2009
beschreven, naar Frankrijk.
|